De kou bijt, maar op mijn werk zie ik er graag toonbaar uit. Dus over mijn nylonkousen en mijn kleedje trek ik dikke sokken aan, een joggingbroek met zo'n pluizige voering en een hele warme trui. Twee sjaals, de dikste wanten op de markt. Mijn echte schoenen steek ik in een zak, het zout wil ik hen sparen. Op mijn sportschoenen glibber ik zo mijn dagtaak tegemoet.

Zo blijf ik even warm als het vooruitzicht van de zomer, maar het heeft een bizarre prijs - deze dagen ben ik minder mens dan mummie.

Alleen als ik ga lopen niet. Dan leg ik een eenzaam extra laagje over mijn outift van december en daarmee lukt het wel.

Vanochtend nog, ik kon niet anders, mijn loopkleren had ik gisteren veel te suggestief op een stoel gelegd. 's Avonds kan het zo gemakkelijk zijn te willen dat je 's ochtends iets gaan doen. Maar toch, trouw aan mezelf draafde ik de deur uit, tot aan de geloofwaardig Finse piste die ik slechts met een nog zo'n gekke ziel moest delen. Vrijdagochtend, kwart na zeven, gevoelstemperatuur min tien en zij en ik met elke onze eigen muziek, blik strak vooruit op het onvoorspelbaar wit, asociaal eigenlijk tot in elke four-way-stretchy vezel, maar even snel, en daardoor een paar kilometer lang verbroederd. In plaats van ik voor haar of zij achter mij liepen we naast elkaar, zwijgend wel, maar toch - doorheen dezelfde kou en ochtendmoeheid.

En dan moest ik voorbij de scholen weer naar huis. De leerlingen krioelen op dat uur over het plein, de pendelaars zitten terug zelfzeker op hun fiets nu de sneeuw is weggeruimd. Ik wervelde ertussen, schoot voor een fiets - het alternatief was botsen en dat wou ik niet. De vrouw schoot uit balans, ze moest haar voet zetten op de grond en schold me uit, maar waarvoor weet ik niet, want mijn muziek staat op speaker en door dat alles heen zong Michael Stipe spottend haast van come on come on no one can see you try-y-y-y-y.

In de high die alleen het eind van een eind rennen met zich meebrengt was ik bijna zo licht als de laatste schemering die er nog hing.

Eigenlijk loop ik niet zo graag. Maar toen wel, want zij hun verplichting, de sleur alweer, ik mijn lichtheid, door weer en wind, langs sneeuwhopen op de stoep - en het vooruitzicht van een iets te hete douche.