Ik ga weleens een eindje rennen in het bos. Ik ren liever dan ik loop. Als ik een eindje ren, vind ik dat vrijblijvender klinken dan zeven, acht kilometer lopen elke and're dag. Die vrijblijvendheid houd ik graag hoog - zeker sinds ik besloot duizend kilometer achter me te laten dit jaar. Hoewel, ik loop steeds dezelfde rondjes in steeds hetzelfde bos, dus veel achter is er niet echt aan.

Nu ja.

Liefst loop ik 's ochtendsvroeg, maar praktisch komt dat niet altijd goed uit, dus afgelopen week bond ik pas 's avonds mijn beide schoenen dicht. Er was nog net een streepje zon - het licht was uit, maar er was nog de herinnering - en in de verzwaarde lucht hing de eerste lente, niet meer dan een belofte en daarom net zo mooi. Als iets nog komen moet, kan je er twee keer van genieten, op een avond in het vroege voorjaar als je 's avonds onverwacht nog rennen gaat, en dan later nog eens, zoals vandaag toen ik na mijn zeven kilometer naar huis kon wandelen op blote voeten, door het laatste stukje bos en over het heerlijk gladde fietspad dat de vorst nog had onthouden.

Die avond was ik te optimistisch over de schemering, het werd onverwacht pikdonker in het bos - op het eind zag ik enkel de reflecterende strepen van mijn loopschoenen nog. Maar ach, het zal mijn honderdste rondje daar wel zijn geweest, het parcours ken ik onderhand.

Zo snel valt nog de avond. En week per jaar kan je 's avonds gaan rennen in de lente en dan thuiskomen in de winter.