Rondom de tuin van mijn ouderlijk huis staat een beukenhaag. Liefst zie ik een beetje chaos rond de orde van dat rechthoekig stukje gras, maar mijn moeder houdt ze graag strakgeschoren – waardoor wat eigenlijk een plant had kunnen zijn, doorheen de jaren een groene muur geworden is.

In de keurig geschoren haag, precies omdat ze zo belachelijk netjes wordt gehouden, vindt mijn moeder om de zoveel tijd een ingedeukt bierblik terug. Een beetje verderop staat een kiosk om de plaatselijke hangjeugd te herbergen en ook daarbuiten troept er soms wat jong volk samen. Een beschuldiging werd dus snel geuit – zij het aanvankelijk enkel binnenskamers.

Het is een bijzonder geschikt onderwerp om aan te snijden met de buurvrouw. Toen onlangs, in deze verrekte lange halve winter, halve lente, het voorjaar toch kortstondig lonkte, stonden beide vrouwen initieel nog in de tuin te werken, maar uiteindelijk vooral te praten op de stoep. Fait divers na fait divers werd aangesneden – het begon allemaal met de promoprijs van houtschors in de plaatselijke hubo, die uitgebaat wordt nota bene door iemand die ooit nog drie huizen verder heeft gewoond. En toen kwam het dus tot die blikjes, die dus door de jongeren in die haag worden verstopt. Welke jongeren, dat hangt atijd wat in de het midden, want je kan toch niet iemand van zoiets beschuldigen, al is het maar op je stoep, als je niet zeker bent. Mijn moeder is en blijft toch redelijk.

Die buurvrouw, die vanuit het grote raam harer woonkamer het juiste zicht heeft op de haag, glimlachte en vertelde hoe het écht met die blikjes in die haag zit. Niet de jeugd steekt ze daar keer op keer, maar de oudste bewoner van onze straat, een man met echt waar een hart van goud, nog net vier tanden en zo’n karretje waarin hij vooraan inderdaad net wat afval kan stockeren.

Het lijkt evident als je afval in je haag heb en hangjongeren in de buurt, om dan, volgens Ockham en zijn scheermes, die losse eindjes aan elkaar te knopen. Een oude man, die perfect ingeburgerd door de straat wandelt met een rollator, wordt daarbij keurig over het hoofd gezien. In de cartoonversie van het leven in deze straat, rolt die man voorbij terwijl mijn moeder nog een blikje plukt.

Ik vind ’t een prachtig ontwricht vooroordeel.

06/04: Willekeurig

Categorie: De pot nat
Door: Maartje
Eén

Twee weken geleden kreeg ik, bij het zien van keurig gestapelde groene blikjes in de colruyt, prompt zin in appletizer. Drie rayons later, ik bevond me intussen tussen de noten, bedwong ik mijn impuls en schoof ik dat blikje op een foute plaats weer in de rekken. Sinds die ene dag zie ik elke keer ik in de Colruyt ben wel een verdwaald blikje appletizer staan. Waarschijnlijk zijn er gewoon wel meer mensen die impulsieve nostalgie in de loop van hun boodschappen de kop in drukken, maar ik vind die verdwaalde blikjes grappig - bijna lijken ze me toe te juichen terwijl ik voorraden insla.

Twee

Een maand geleden reed ik over de ring van Leuven voorbij een huis waar aan een raam een geel papier kleeft. In kinderlijke hanenpoten staat hier woont de koning neergepend. Ik stuurde de koning, die het paleis blijkbaar achter zich gelaten heeft, al tweemaal een kaart. Zijn antwoord hing ie aan het raam - wat een leuke koning hebben wij.

Drie

De koning en appletizer hebben er niets en toch ook alles mee te maken. Ik heb al sinds een tijdje geen lief, geen werk, geen nieuw zomerkleedje meer gehad, en toch ben ik gelukkig.

28/03: 's Nachts

Categorie: De pot nat
Door: Maartje
M'n armen hebben sinds jaar en dag de gave om hitte te bewaren. Op avonden na hete dagen, eender waar, zal ik altijd later dan de anderen een lichte trui aantrekken.

Op dinsdag ging ik vroeger slapen dan mijn gewoonte is. Vierentwintig uur onconformtabel vliegen en een tijdsverschil van tien uren vind ik geen probleem, daar wandel ik doorheen. Maar maak van twee uur drie en ik voel me dagen even moe als een restje verlepte rucola ergens vergeten in de groentenla.

Zo lag ik te tienen al in bed, mijn armen nog vol zon, Australisch dan wel Europees. Ik las een boek, dronk een kop thee, genoot van de verkorreling van mijn ogen, de voorbode van bodemloze slaap, toen de stilte buiten werd doorbroken door de pikkel van een fiets. Als een muzieknoot op een gitaar zinderde de nacht nog een fractie langer na, en dan was-ie weer stil, op de achtergrond kabbelt enkel de expressweg.

Zestien te zijn en om tien uur nog thuis te komen met je fiets, de lucht nog zacht te weten. De lente is nu zo aanwezig dat ze evident geworden is, af en toe maar is er die herinnering, als je beweegt in de avondlucht en alleen onderaan nog een klein laagje koud kan voelen, als je een nog warme arm verlegt onder wit katoenen beddegoed.

Wat contrasteert die arm, nog bruin van verre werelddelen, fel met al dat wit.

Gisterennacht was bijna zomer.
Categorie: De pot nat
Door: Maartje
Ik ga weleens een eindje rennen in het bos. Ik ren liever dan ik loop. Als ik een eindje ren, vind ik dat vrijblijvender klinken dan zeven, acht kilometer lopen elke and're dag. Die vrijblijvendheid houd ik graag hoog - zeker sinds ik besloot duizend kilometer achter me te laten dit jaar. Hoewel, ik loop steeds dezelfde rondjes in steeds hetzelfde bos, dus veel achter is er niet echt aan.

Nu ja.

Liefst loop ik 's ochtendsvroeg, maar praktisch komt dat niet altijd goed uit, dus afgelopen week bond ik pas 's avonds mijn beide schoenen dicht. Er was nog net een streepje zon - het licht was uit, maar er was nog de herinnering - en in de verzwaarde lucht hing de eerste lente, niet meer dan een belofte en daarom net zo mooi. Als iets nog komen moet, kan je er twee keer van genieten, op een avond in het vroege voorjaar als je 's avonds onverwacht nog rennen gaat, en dan later nog eens, zoals vandaag toen ik na mijn zeven kilometer naar huis kon wandelen op blote voeten, door het laatste stukje bos en over het heerlijk gladde fietspad dat de vorst nog had onthouden.

Die avond was ik te optimistisch over de schemering, het werd onverwacht pikdonker in het bos - op het eind zag ik enkel de reflecterende strepen van mijn loopschoenen nog. Maar ach, het zal mijn honderdste rondje daar wel zijn geweest, het parcours ken ik onderhand.

Zo snel valt nog de avond. Eén week per jaar kan je 's avonds gaan rennen in de lente en dan thuiskomen in de winter.



Toen mijn nichtje na mijn thuiskomst uit Australië alleen maar leek te willen huilde, gaf ik niet graag toe hoe dat mij bijna net zo treurig maakte. Het kind maakte het allang goed door samen met mij een boek te lezen of toch heel goed te doen alsof - door een onwillekeurige armbeweging draaide zij een blad om - bijna net op tijd.

Van het concept kinderen ben ik nochtans geen fan - er is me teveel marketing rondom gebouwd, teveel profileringsdrang van ouders, teveel gedoe als ze in groep verschijnen. Maar individueel hou ik van hen allemaal.

Het liefst zou ik ze allemaal zelf helpen met de miserie die ze hebben - of dat nu vaccineren tegen kinderziektes is, of melkpoeder mengen met zuiver water. Of visionair worden en de juiste klassen thuishouden van skivakantie.

Ik ben met vijfentwintig al gehard genoeg om te aanvaarden dat mijn rol kleiner is dan dat - maar huilen doe ik wel, bij promospotjes van ngo's, in het midden van Afrika, en soms, als de dag begint met extra nieuwsuitzendingen, soms op de meest onverwachte momenten. Als er mij tijdens het lopen iemand passeert met een kleine hond die een oranje bloemetje heeft in zijn kuifje. De oude man trok zijn hond zacht een beetje naar hem toe om mij een breder pad te geven. Mijn gezicht was toch al nat van al dat zweet.

Thuisgekomen was er extra nieuws - de zakdoeken lagen nog waar ik ze 's ochtends had gelegd.

En later, nog later at ik noedelsoep met tranen.
Categorie: De pot nat
Door: Maartje
De haren op mijn armen zijn alweer bruin geworden – op het hoogst van mijn Australië waren ze zo wit als witte suiker, mijn armen zelf de pannenkoeken. En toen ik enkele dagen geleden dertig centimeter van mijn haar liet knippen, verdween daarmee niet alleen de verdorven punten, maar ook het blondste blond – die sluier van schoonheid die het Zuiden over me drapeerde.

Daaraan dacht ik in die eerste, lege dagen helemaal alleen op reis, dat ik, als ik me dan toch niet amuseren zou, tegen mijn verwachting in, toch blond zou worden en bruin en slank, want eten was te duur. Zo kwam ik te weten dat ik oppervlakkig was zoals bijna iedereen en in de loop van de maanden die daarop volgden kreeg ik daar vrede mee, want vrede kreeg ik met alles – behalve met de frons tussen mijn wenkbrauwen, maar een Australische mijner met rugproblemen en een mangoboom verzekerde me dat die onzichtbaar werd, als ik maar glimlachte.

Hij zette zijn duim tussen mijn ogen en bewoog die op en neer – iets waar ik me zo niet aan verwachtte dat ik ervan lachen ging, breeduit en onbekommerd. Look at you, zei toen die vijfitger, you’re beautiful.

Ach ik hoef maar aan dat moment te denken of ik glimlach weer, en dan prompt alweer iets breder.

Sinds Australië ben ik in het diepst van mijn gedachten soms een vrouw die zich omdraait en dan glimlacht en zo de hele rechter-, linkerkant van een café kan doen oplichten zoals de zon.
Categorie: De pot nat
Door: Maartje
Vertelde ik het verhaal al van de kip en het ei?

Neen.

De hanen moesten dood. Op de boerderij waar ik werkte maakten zij zoveel lawaai dat iedereen hen was gaan haten en zo kwam het dat de boer opmerkte dat die dieren beter de pot in zouden gaan. Ik zei, I'll do it, want zo zit ik nu eenmaal in elkaar.

Als vegetariër op zijn minst een boude stelling en dus werd ik nauwelijks serieus genomen, de boer lachte schamper en toen moest ik wel. Ik trok de ren in, lokaliseerde een haan, liep zesentwintig rondjes achter het dier tot hij moe was maar ik niet, want ik sta scherp, droeg het dier richting kapblok, nam een bijl, hakte dat hoofd eraf, maande het spartelende lichaam aan tot kalmte (shush, zei ik, you're dead, it's okay now), ontdeed het dier van pluimen, poten en ingewanden en stak het in de pot met een soeplepel curry.

Zelf heb ik er niet van gegeten, ik hou niet van kip, maar het verbaasde me hoe snel een vogel tot een stuk vlees verworden kan.

Zo bleef de boerderij achter met één haan en die wilde mijn kompaan wel slachten, hij had mij de bijl aangegeven dus ik zei dat ik voor hem hetzelfde wel wilde doen, als wederdienst. We gingen daar optimistisch genoeg om vijf uur voor opstaan - wij werkten hard op die boerderij en anders was het of bloedheet of pikkedonker. Geen ideale omstandigheden voor de ontgoocheling van nog een haan, dat wist ik wel nadat ik de laatste resten darm uit die eerste had geschraapt met één hand om me met het andere tegen muggen te beschermen.

(Er zit dengué in de tropen van Australië.)

Dat opstaan bleek te optimistisch, maar de ochtend kregen we onverwacht toch vrij, er moesten enkel limoenen worden geplukt en iedereen weet toch dat de dauw daarvoor opgedroogd moet zijn en dat is om ten vroegste negen uur. Halfzeven was het toen we de hele procedure begonnen te herhalen.

Wij merken nog op, deze haan heeft geen sporen, maar hij had wel de juiste rode lellen - genadeloos gaan die eraf, tesamen met het hoofd en ook de pluimen.

In de haan zat een ei verstopt. Blijkt dat kippen net zo goed rode lellen hebben.
Categorie: De pot nat
Door: Maartje
Onlangs zette ik alle dingen die ik kon doen op een rijtje en terwijl ik dat deed, overviel me een gevoel van formaliteit - ik wist al wat ik wilde. Ik wilde naar huis. Niet op de betraande manier van de eerste dagen in dit land, niet op de vreemde, ietwat gezellige manier van rond kerst, maar gewoon.

Daarnet wandelde ik mijn laatste avondmaal tegemoet in deze stad - ik glimlachte, want ik glimlach vaker nu en een man speelde een liedje op zijn gitaar en zong daarbij, ik gooide een stuk van vijftig cent in zijn koffer. Zo'n muntstuk heeft hier twaalf hoeken, dat telde ik daarna voor het eerst.

Dan at ik een broodje haloumi en checkte ik mezelf digitaal in in mijn vlucht voor morgen, ik zal zitten op de stoel achter de vleugel, mijn gezicht zal ik vlijen tegen het raam nadat ik een cetirizine heb genomen (neveneffect: slaperigheid).

Ik ben zo blij. Niet omdat. Gewoon.

22/01: Avonden

Categorie: De pot nat
Door: Maartje
Maandag
Met meer toeristen dan me lief is sta ik te wachten tot de zon Uluru in z’n juiste rode kleedje zet. Het is spannend, want aan de oostkant hangt er een lage bewolking die de zon al een paar uur aan het zicht onttrekt. Uiteindelijk zit er tussen de einder en het wolkendek een spleet die net genoeg licht doorlaat - het wonder van de zonsondergang kan zich voltrekken voor mijn eigen ogen. Ik denk, hier hebben ze de kleur rood uitgevonden, maar dat zou wel eens te sentimenteel kunnen zijn.

Dinsdag
In Glendambo wonen dertig mensen. Er zijn twee tankstations – het ene heeft goedkopere benzine, het andere een veggieburger. Ze weten hier dat het belangrijk is al snel, als zaak in een wereld vol concurrentie, een eigen niche te ontdekken. Ik schrijf een brief en denk, die postzegels met die koala op, ik ben ze beu. Nog vijf heb ik er, dan is het tijd voor andere.

Woensdag
's Avonds zie ik een kangeroe. Ik kijk met bewondering naar dat springend ding - ik weet nog niet dat ik morgen in totaal tweeëntachtig kangeroes in de schaduw zal zien wachten op het vallen van de avond en, belangrijker, het kwik. Er passeert aan auto met zijn koplampen aan. Timing is everything, nog geen tien seconden geleden stond ik in adamskostuum mijn vege lijf te wassen, nu krijgt de arme man enkel handdoek en een stuk netgeschoren been te zien.

Donderdag
Op een bankje voor de krantenwinkel van Quorn gezeten zeg ik nottoobad, in één woord, tegen iedereen die howyougoin mompelt. Ze wachten niet op mijn antwoord, op donderdag moet het lottoformulier binnen, twee oude terreinwagens en een stoffige, verroeste Holden komen aan en rijden even later weer weg, de sleutels blijven zitten in het contact. Later in Port Augusta eet ik een bord pasta dat mijn honger niet echt stilt en haal ik Whittackers melkchocolade uit bij Whoolworths. Port Augusta is een stad – niemand vraagt howyougoin, alleen het meisje achter de kassa is zo heerlijk vriendelijk dat ik aan slagroom en meringue moet denken.

Vrijdag
Het is koud aan de zuidkust van Australië, maar de plaatselijke supermarkt ruikt naar de GB Express aan het Martelarenplein. Het is in mijn neus dat de meest onverwachte vlagen van kortstondige heimwee worden geboren. Gelukkig is voor impulsaankopen IGA even geschikt, ik koop instantpannenkoekendeeg, een experiment voor morgenvroeg. Maar dat is voor na de rillerige nacht die me te wachten staat. Ik denk, misschien is het alleen maar koud omdat we naast het kerkhof slapen. Maar ook dat zou weleens te sentimenteel kunnen zijn.
Categorie: De pot nat
Door: Maartje
Be aware of wandering cattle, staat er hier soms langs de weg. Er zijn hier veestations zo groot als mijn lief vaderland, goed zot dat ze die gans omheinen zouden gewoon omdat een reep asfalt van die ene kant voor altijd ook de andere maakt.

Er is iets met dat woord wandering dat me altijd doet denken aan het verschil met wandeling. Misschien is het het gebrek aan richting dat het eerste woord zacht resoneert en dat zo goed past bij de blik van de gemiddelde koe - even dom, frappant genoeg, als die van een koe die naar een trein te kijken staat.

Soms kan je een koe nog het beste vergelijken met een koe.

Hoe dan ook, de radix beider woorden lijkt me toch precies hetzelfde, een eender verlangen naar de andere kant - hoe je er ook geraken wilt.

De andere kant bijvoorbeeld van de snelweg, waar vrachtwagens tot 54,4 meter lang ervoor kunnen zorgen dat dat schijnbaar groenere gras voor altijd even sappig blijft als je als kalf, tegen de uier van de moederkoe genesteld, altijd al had gedroomd. (Als je maar lang genoeg eentonige, kaarsrechte, wondermooie snelwegen bereist, dan ga je op den duur teveel nadenken bij het zien van voortijdig gestorven runderen in de rode aarde van de afwezige berm.)

Of misschien die andere andere kant, die van het grootste concept dat je als gewone sterveling ooit echt bevatten kan - die grote blauwe wereldbol waar je als kind soms even, in miniatuur dan toch, mee draaide.

Die was het.